Skip To The Main Content

Fragmentatie arbeidsmarkt zet door

31 mei, 2016

Banen verdwijnen als sneeuw voor de zon. Het is een logisch en terugkerend verschijnsel op de arbeidsmarkt. VU-econoom Eric Bartelsman verwacht dat de helft van de huidige banen binnen dertig jaar zal verdwijnen. Volgens arbeidsmarkteconoom Jouke van Dijk is al binnen tien jaar de helft van de banen voor laagopgeleiden verdwenen.

Het verdwijnen van banen is een fact of life. Het gebeurt periodiek door economische fluctuaties en bij uitzondering door revolutionaire ontwikkelingen in het productieproces of in de communicatie. Stoommachines, elektriciteit, computers, telecom, 3D-printers, the internet of things. Met steeds frequentere schokbewegingen verandert het productieproces en de manier van ondernemen. Vaak gaat dat gepaard met verlies van banen of complete beroepen. Maar ook met maatschappelijke onrust doordat grote groepen mensen werkloos dreigen te blijven.

Goedkoper en beter

Het werk kan ergens anders goedkoper of beter gedaan worden of is overbodig doordat computers en robots de taken goedkoper en beter kunnen uitvoeren. Het gaat vaak om werk met een repetitief, routinematig, administratief, dienstverlenend of logistiek karakter. Waar het in de vorige eeuw vooral arbeiders in de maakindustrie waren die massaal overbodig werden in het arbeidsproces, zijn het nu de witte boorden, mbo’ers en zakelijk dienstverleners, die hun baan zien verdwijnen.

Negatieve maatschappelijke gevolgen

Niemand kan voorspellen wat de gevolgen zijn van een disruptieve technologische vernieuwing voor de werkgelegenheid. Zeker nu niet. De toenemende samenhang van de huidige vernieuwingen maakt iedere voorspelling arbitrair. Zo is vanwege de onzekerheid het CPB al jaren geleden gestopt met voorspellingen en ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) doet geen uitspraken meer. Toch komen er steeds meer signalen dat door het razendsnelle tempo van de vernieuwingen de wereldwijde werkgelegenheid massaal afneemt. Volgens schattingen zelfs met een miljard banen. In de westerse landen kan dat negatieve maatschappelijke gevolgen hebben, vooral voor de lage en middeninkomens. Al decennia zien zij een uitholling van hun positie. Anderzijds, en vaak onvoorzien, zien we dat technologische revoluties ook nieuw werk creëren. Ander werk. En andere werkvormen.

Wat blijft is mensenwerk

Wat blijft is echt mensenwerk. De persoonlijke dienstverlening, creatieve banen, ambachten of werk waarvoor mensenkennis nodig is. We zien nu al het nieuwe werk verschijnen bij start-ups. Maar of dat de hele beroepsbevolking aan het werk kan houden is de vraag. Sowieso is het de vraag waar Nederland z’n geld aan gaat verdienen en wie dat gaat verdienen. Het antwoord van economen is dan standaard: innovatie. We moeten het hebben van onze kennis en vernieuwing. Dat betekent dus flexibiliteit, veerkracht en onderwijs. Een leven lang leren.

Flexibel wordt gewoon

Werk verdwijnt. Of verandert. Daarop moeten werkgevers voorsorteren. Zij hebben veel geleerd van de crisisjaren. Flexibilisering van arbeid is voor hen een must. Dat gebeurt intern door medewerkers in te zetten waar ze het meest nodig zijn. Door meer projectmatig en taakgericht te werken. Door functies te vervangen door taken. En door te sturen op resultaat in plaats van op proces. Zijn er dan toch nog vacatures of onvervulde taken, dan vullen werkgevers die in met uitzendkrachten, zzp’ers en flexibele dienstverbanden.

Versterking van de trend

Vanwege wetgeving en herbronnen van de vakbeweging staat het flexwerk nu op de voorpagina’s. Vaak met een negatieve toonzetting. Daardoor lijkt het alsof de hele arbeidsmarkt plots flexibel is geworden en medewerkers helemaal geen zekerheid meer hebben. Dat valt wel mee. Het is slechts een versnelde ontwikkeling van een trend die al decennia aan de gang is. Het aandeel flexwerkers was vijftien jaar terug ook al 13% van de werkzame beroepsbevolking. Nu is dat 18%. Die toename van 5% in vijftien jaar komt vooral door het aantal tijdelijke contracten met uitzicht op een vast dienstverband. Dus flex als opmaat voor vast. Geen rommelbanen, zoals vaak wordt beweerd, maar een alternatief voor een proefperiode.

Fifty-fifty

Een vast dienstverband is nog steeds de norm. Veel sectoren en bedrijven werken helemaal niet met een flexibele schil. Nog steeds hebben ruim vijf miljoen werknemers een vast dienstverband. Dat is 62,5% van alle werkenden. Inderdaad, minder dan twintig jaar terug toen nog 77% een contract voor onbepaalde tijd had. En ja, het percentage vaste arbeidscontracten zal verder dalen. Maar vast verdwijnt niet. Volgens arbeidsmarktdeskundigen werkt ook over 25 jaar nog ruim de helft van de werkenden in vast dienstverband. Flex-vast: fifty-fifty.

Verouderd beeld

Hoe ziet de arbeidsmarkt er dus uit in 2020? Of over 25 jaar? Net als nu: gefragmenteerd. Met een iets groter percentage flex dan nu. Die fragmentatie is een gegeven. Het wordt de hoogste tijd dat de maatschappij zich op deze tweedeling instelt. Nog steeds is een vaste baan een voorwaarde voor toegang tot diensten, rechten en voorzieningen. Zonder vast contract geen huurwoning, hypotheek, WW-rechten, scholing en pensioen. Door halsstarrig vast te houden aan een verouderd beeld van de arbeidsmarkt, ontzegt de maatschappij zo’n 40% van de werkenden toegang tot essentiële voorzieningen. Het zou goed zijn als de sociale partners en de overheid daar iets aan doen. Dat werk als werk wordt gezien, ongeacht het dienstverband.

Dit essay werd gepubliceerd op www.workingprogress.nu. Kennisplatform met opinie en duiding over de inzet van expertise.

Copyright 2014 USG People